Seth & Adrian Tomine

Woensdag 9 november 2005, een regenachtige avond in New York. In Strand, een van de laatste onafhankelijke boekenwinkels in deze metropool, vindt op de tweede verdieping een gesprek plaats tussen de comic artists Seth en Adrian Tomine. Wanneer ik de trap op loop, signeerexemplaren in de aanslag, zie ik tussen de boekenkasten twee vleesgeworden figuren uit mijn bescheiden comicverzameling rondlopen. Beide tekenaars zijn zo herkenbaar als de personages uit hun werk dat het bijna absurd en lachwekkend wordt. Seth draagt een hoed, regenjas, bril, net iets te korte broek en leren schoenen – net zoals de held uit ‘It’s a Good Life If You Don’t Weaken’: een grauw, bijna sukkelig mannetje. Tomine heeft zich een minder karikaturaal uiterlijk aangemeten maar is zeer herkenbaar als Ben, uit onder andere de laatste ‘Optic Nerve’, met het korte donkere haar en ronde gezicht. Later zal Seth ons vertellen dat hij die cartooneske kleren alleen voor dit soort gelegenheden aandoet, een overblijfsels stammend uit zijn jeugd waarin hij de behoefte had zich een andere identiteit aan te meten, iemand anders te zijn, iemand die mensen leuk zouden vinden. Nu, gelukkig getrouwd (in ‘Palooka Ville’ 16 staat een foto van het huwelijk) en zichtbaar tevreden met zichzelf heeft hij wel spijt dat hij ooit voor een andere naam – Seth – koos in de plaats van zijn geboortenaam Gregory Gallant.Wanneer de stoelen voor het kleine geïmproviseerde podium allemaal bezet zijn nemen Seth en Tomine plaats achter de microfoons. Het werk van beide kunstenaars wordt uitgegeven bij Drawn & Quarterly en ze zijn op een promotietoer ter ere van hun nieuwe comics. Seth’s nieuwe boek ‘Wimbledon Green’ is in een geheel nieuwe stijl en niet met de bekende karakters uit de ‘Palooka Ville’ serie of ‘It’s a Good Life If You Don’t Weaken’. Tomine presenteert nummer 10 van zijn ‘Optic Nerve’ serie en het boek ‘The Push Man and Other Stories’ dat hij samenstelde uit 16 prachtige kortstrips die dateren uit de jaren zestig. Deze strips over mannen die maar moeilijk een goede baan vinden en hun vrouwen die dan ’s nachts de straat op moeten, zijn getekend en geschreven door de Japanse striptekenaar en Tomine’s jeugdheld Yoshihiro Tatsumi.Het formaat van de avond is dat beide mannen elkaar vragen stellen waarna ook het publiek nog zijn ei kwijt kan. Het is een beetje een houterige setting maar er worden toch interessante dingen gezegd. Na afloop signeren ze met veel zorg de net gekochte of meegebrachte exemplaren. Ze maken een praatje en een tekening en zo leer ik dat Tomine ooit nog in Mons heeft gewoond, jaren gelden, toen hij nog een kind was. En wanneer je de lange rij geduldige fans langzaam vooruit ziet schuifelen is het moeilijk om je voor te stellen dat, zoals ze zelf vertellen, ze vroeger vaak voor drie mensen kwamen opdraven, een eenpersoonskamer in een ranzig motel voor hen het toppunt van luxe was en ze per trein Amerika doorkruisten. Duidelijk is de groeiende interesse voor en aanhang van comics. Volgens hen deels te wijten aan het feit dat het medium zelf gegroeid is.Een van de belangrijkste discussiepunten van de avond gaat over vorm en inhoud, over de verhouding tussen beeld en verhaal, de invloed van de cinema op comics, en dien te meer. De eerste vraag van Seth heeft betrekking op de verhouding tussen enerzijds kunstenaar zijn en anderzijds schrijver zijn. Al snel blijkt dat ze beiden een volmaakte synergie willen bereiken tussen deze twee kunstvormen, een synergie die ze in het werk van collega Chester Brown (van bijvoorbeeld het geweldige ‘I never liked you’) terugvinden of natuurlijk bij de onovertreffelijke Chris Ware. Seth vindt schrijven moeilijk en ziet zichzelf dan ook eerder als kunstenaar. Bij Tomine staat het tekenen dan weer in dienst van het verhaal dat hij wil vertellen. Beiden zijn het er over eens dat je eigenlijk bijna alles kan tekenen (sommige dingen duren gewoon wat langer om te tekenen dan andere) maar dat sommige dingen beschrijven, in woorden omzetten ontzettend moeilijk is. Deze zelftypering van Seth dat hij in de eerste plaats een kunstenaar is en Tomine een schrijver, is een goede manier om naar hun meest recente werk te kijken.Zoals gezegd is Seth’s ‘Wimbledon Green’ anders dan zijn voorgaande werk. De ondertitel van het boek ‘A Story From the Sketchbook of the Cartoonist “Seth”’ maakt dit al duidelijk. Deze keer geen uitgewerkte panelen en cinematografische beeldopbouw maar schetsmatige en ‘platte’ tekeningen met weinig beweging, diepte en dramatische opbouw. Naar eigen zeggen wilde Seth eens iets anders proberen, wilde hij losbreken van de cinematografische conventies binnen het striptekenen en bovendien wilde hij, net als sommigen van zijn collega’s, sneller iets kunnen produceren (dit boek duurde hem 6 maanden om te maken). Bovendien wilde hij eens uitproberen hoe je een boek maakt wanneer je niet wordt gestuurd door een verhaal wat op voorhand vastligt maar door het tekenen zelf. Hij wilde dus niet tekenen in functie van een reeds uitgestippeld traject maar het boek organisch laten groeien en ontstaan in het proces van het schetsen. Ook Tomine blijkt te worstelen met de verhouding tussen het laten groeien van een verhaal terwijl je het aan het ontwikkelen bent en het op voorhand plannen en uitstippelen van dat verhaal. Beiden zijn het met elkaar eens dat je ruimte moet laten voor ongeanticipeerde dingen zoals nieuwe ervaringen die zich kunnen voordoen tijdens het werken aan een comic. Volgens Tomine ligt in de balans tussen planning en vrijheid de sleutel tot het maken van langere strips, iets wat hij graag wil en benijdt in andere comic artists maar zelf ontzettend moeilijk vindt.Ik moet zeggen dat het gebrek aan een groter plan ‘Wimbledon Green’ opbreekt. Het was een opgave om het boek überhaupt uit te lezen. Het verhaal over een mysterieuze en zeer fanatieke stripverzamelaar met een roemruchte collectie komt niet van de grond. Al is het een leuk thema en zitten er grappige passages in het boek die de draak steken met eerste-editie-woede en andersoortige verzamelaarafwijkingen, blijft het een plat verhaal. Je voelt namelijk dat het boek gaandeweg gegroeid is, het mist focus en een centrale drijvende kracht. De tekenstijl helpt daarbij niet echt. Pagina’s lang kleine tekeningetjes van telkens hetzelfde hoofd van een verzamelaar die zijn zegje doet over het hoe en wat van die mysterieuze verzamelaar Wimbledon Green, gaat eenvoudigweg vervelen. Bovendien mis ik de cinematografische benadering van Seth, zijn prachtige tekeningen die duidelijk veel tijd kosten, de verhalen vol van psychologische strubbelingen en existentiële angst; kortom zijn strips waarin zowel beeld als verhaal diepte kennen. Iemand die zichzelf met name als een tekenaar beschouwd, blinkt ook uit in boeken waarin echt getekend wordt en niet alleen geschetst. Ik kan alleen maar hopen dat het volgende boek van Seth weer in zijn oude, cinematografische, tijdrovende stijl is getekend. Hij belooft zo veel wanneer hij zegt van deze stijl en werkwijze geen gewoonte te willen maken. Hij vindt dit boek namelijk ook niet behoren tot zijn betere werk maar noemt het een experiment.Wat ‘Wimbledon Green’ wel gemeen heeft met de rest van Seth’s oeuvre is het thema van de eenzame man die op zoek is naar zijn identiteit, zijn individualiteit. Seth vindt deze eenzame figuren wiens leven gedomineerd wordt door een innerlijke queeste, een veilig onderwerp. Liefde is bijvoorbeeld een veel moeilijker onderwerp omdat het zo makkelijk leidt tot sentimentaliteit en het clichématige. Tomine beaamt dit en voegt hieraan toe dat het moeilijk is een ontroerend en gelukkig einde op een goede manier weer te geven zonder dat het klef en gelikt wordt. En dit verklaart waarom Tomine’s werk altijd ‘eindigt’ in een soort anticlimax, een non-einde van onopgeloste ruzies en losse verhaaleindjes. Je hebt bij zijn werk nooit een gevoel van ‘closure’, het verhaal stopt eenvoudigweg aan het einde van een pagina maar als lezer blijf je zitten met een gevoel van ontevreden onopgelostheid. Ook ‘Optic Nerve’ 10 heeft zo’n onbevredigend einde, al wordt ons wel beloofd dat in het volgende nummer Ben’s groeiende liefdesproblemen (zijn vaste vriendin is naar New York verhuisd voor een baan en hun telefoonrelatie bestaat uit ruzies en verwijten, het meisje Autumn dat voor hem werkt wil hem niet zoenen en Sasha, een ‘fence-sitter’ (aka biseksuele) verleidster dumpt hem voor haar ex-vriendin met wie ze het blijkbaar nooit echt had uitgemaakt) opgelost zullen worden.Wat Tomine betreft, ook zijn werk heeft een verandering doorgemaakt, niet qua stijl en werkwijze zoals bij Seth maar qua inhoud. Naar eigen zeggen werd hij op basis van zijn eerdere werk door lezers beschouwd als een lieve doch ietwat zielige jongen die maar steeds de verkeerde vrouwen tegenkwam. Moe van dit imago zijn de laatste edities uit de serie harder en realistischer. Hij wil zijn verhalen en personages niet meer verbloemen en opleuken, niet meer flirtend werken zoals hij het zelf zegt. En deze wat hardere kant van zijn nieuwe werk is heerlijk omdat de verhalen daardoor meer focus krijgen, spannender worden en een stuk vermakelijker. De cynische en genadeloze dialogen zijn geweldig, getuige dit telefoongesprek tussen Ben en zijn lesbische boezemvriendin Alice Kim:Ben: “So she’ll writhe around on stage with a bunch of naked creeps, and she’ll take photos of her piss every day but kissing me … apparently that’s too disgusting for her!”Alice Kim: “Ah, it’s for the best. I mean, how could you even get it up for someone who does that kind of stupid bullshit?”Ben: “Well, in this case, my superficiality could’ve overpowered my snobbery.”Alice Kim: “Oh, I forgot … she’s white!”Ben: “Fuck you”Alice Kim: “You’re just out of practice. Come with me to this party on Saturday and you can watch the master in action.”Wanneer er aan het einde van de avond vanuit de zaal gepolst wordt naar hoe Tomine zijn werk als illustrator ziet, gezien het feit dat hij zijn tekenen in dienst vindt staan van het verhaal, suggereert hij voorzichtig dat hij daar niet altijd gelukkig mee is. Een cover tekenen voor ‘The New Yorker’ is natuurlijk geweldig maar de merchandising die er van zijn werk wordt gemaakt is duidelijk niet wat hij zelf wil. Gelukkig, en hopelijk komen er dan ook niet meer te veel agenda’s en postkaarten, boeken en boekjes met de ‘schetsen van’. Niets zo nefast als het tot sleutelhangers verworden, het commercialiseren van steengoede strips.Net zoals Seth een begiftigd tekenaar is die je dus ook graag wil zien tekenen, is Tomine een goed verhalen verteller en komen zijn tekeningen pas echt tot leven bij zijn verhalen over aanmodderende twintigers, sombere tieners en verzuurde liefde.

Gepubliceerd in 2006 in Gonzo Circus, 72, pp. 53-55.

No comments yet

Leave a reply

You must be logged in to post a comment.