Nieuwe Comics
De verzamel-boeken “Let Us Be Perfectly Clear” van Paul Hornschemeier en “Lucky” van Gabrielle Bell werden beiden in November uitgebracht. Voor de feestdagen worden er altijd veel dingen heruitgegeven, voor het eerst gebundeld, voor het eerst officieel uitgebracht enzovoort. Een prettig gevolg daarvan kan zijn dat bepaalde comics, die anders niet beschikbaar zouden zijn buiten Canada en de VS (omdat ze bijvoorbeeld tot nog toe alleen als gekopieerde boekjes – zines – bij de locale stripboekenwinkel te koop waren of enkel lang lang geleden in een obscuur magazine verschenen), op grotere schaal verkrijgbaar worden. Deze twee verzamelde werken zijn daar een goed voorbeeld van. Het meeste werk in beide bundels verscheen reeds eerder op diverse plaatsen en in uiteenlopende formaten maar was tot voorheen moeilijk tot niet verkrijgbaar in Europese boekhandels.“Let Us Be Perfectly Clear” brengt de zeer uiteenlopend “Forlorn Funnies” samen die Hornschemeier maakte in de periode voor en tijdens de publicatie van zijn graphic novel “Mother Come Home” (uitgegeven bij Dark Horse in 2003). Het boek bestaat uit twee delen (één deel is ‘Forlorn’ of ‘meelijwekkend droevig’ en het andere eerder ‘Funny’) en heeft ook twee voorkanten die het divergerende karakter van het boek goed illustreren. De “Let Us Be” voorkant van het boek is angstaanjagend, duister en realistisch getekend – een blauwige zombie knipt plaatjes uit een comic en molesteert action figures terwijl hij angstig naar ons kijkt: “laat me met rust”. De andere “Perfectly Clear” voorkant is grappig, jolig en karikaturaal getekend – een verzameling verloren stripfiguurtjes staat een beetje verdwaasd op een kluitje terwijl de geest van een van de gestorven karakters dolgelukkig zijn ‘aardse’ lichaam verlaat.In het hele boek zie je Hornschemeier worstelen en experimenteren met verschillende stijlen (realistisch a la Chris Ware en Chester Brown, lieflijk op z’n Charles Schulz, duister als Charles Burns, karikaturaal zoals de ‘funnies’ uit de kranten,…) en bizarre combinaties van die stijlen in bijvoorbeeld ‘Men and Women of the Television’. Niet alles echter met een even gelukkig resultaat. Sommige strips zijn niet veel meer dan stijlexperimenten, anderen juist zoveel meer. Het is een exercitie in, een aftasten van zijn kunnen als tekenaar en verhalen verteller. Het krachtigste zijn die strips waarin beeld en verhaal samenwerken in het vertellen van de immer droevige en duistere verhalen die Hornschemeiers werk kenmerken. Wanneer een idee met het verhaal aan de loop gaat, het een experimenteren om te experimenteren wordt, krijgt het iets pronkerigs, zo van “watch me dance”.Met name de ‘Let Us Be’ kant van het boek is sterk met ‘These trespassing Vehicles’, een moord en liefdes verhaal wat qua beeldgebruik en bladindeling een ode is aan “The Playboy” van Chester Brown, het intens droevige Chris Wareian ‘Wanted’ over een cowboy die zijn paard verkoopt om met de vrouw van zijn leven naar de stad te verhuizen maar wordt gekweld door het gemis van zijn paard ‘Ol’ Patrick’, en het woordenloze ‘Underneath’ over een hongerig, beerachtig wezen dat besluit dat een van de twee baby’s van een zeewezen opeten uiteindelijk minder erg is dan de moeder van beiden opeten.De ‘Perfectly Clear’ kant is jammer genoeg té gewild, té geprobeerd en daardoor een erg geforceerde stijlexercitie. Ondanks het feit dat je de stilistische virtuositeit van Hornschemeier wel moet bewonderen is de humor flauw en mat zoals in de superhelden parodie ‘Whatever Dude’ over een ‘superheld’ die, wie had het kunnen raden, alle uitdagingen des levens op zijn lijfspreuk ‘whatever dude’ trakteert. Een absoluut zwaktebod is het ironisch, zelf-onderuit-halende, faux academische tekstje van “Charles Lipp” getiteld ‘Stupid Art Comics May Be Stupid, But “Stupid Art Comics Are Stupid” is a Complete Waste of Time’. Deze tekst volgt op de één pagina tellende comic ‘Stupid Art Comics Are Stupid’ die, in de stijl van Leonardo da Vinci’s aantekeningen in spiegelschrift, alleen met behulp van een spiegel gelezen kan worden en ‘reflecteert’ op kunst. Het tekstje is vervuld van zelfspot en stelt bijvoorbeeld dat “My blatant sarcasm here is almost as readily evident as Hornschemeier’s obvious use of formal masturbation as a means to compensate for his deficit of talent, inspiration, technical skill, and wit” (p. 13). Dit is een typisch ironische strategie waarbij men mogelijke kritiek op die formalistische masturbatie tracht te ontkrachten door deze al op voorhand te formuleren. Alsof het zelf aangeven van mogelijke kritiekpunten deze kritiek ongeldig maakt. Als lezer voel je je bij dit soort ironische wendingen echter ook altijd bedrogen, want waarom zou je iets serieus nemen wat door de maker zelf onderuit gehaald wordt? Zo’n ironische zelf-parodiëring neemt dan jammer genoeg niet alleen op voorhand mogelijke kritiek weg (of probeert dat te doen) maar zet het hele boek – dat ook sterke comics bevat – op losse schroeven.“Lucky” van Gabrielle Bell is een totaal andere verzameling comics. Geen pastiche, ironie en complexe revisies van stripgrootheden. “Lucky” verzamelt de drie Lucky’s die Bell in 2003 en 2004 tekende (#3 van de serie won een Ignatz Award) en een handvol ‘extra stories’ die buiten het dagboekachtige format van de drie Lucky’s tot stand kwamen. Bells lijntekeningen zijn ingetogen en sober in zwart-wit. Geen stijlverheerlijking maar tekeningen die, soms een beetje onhandig, het leven schetsen van Gabrielle Bell en haar vrienden.Ondanks (of misschien wel dankzij?) deze sobere stijl en de dagboekachtige inhoud, zijn de kortverhalen ontzettend meeslepend en verslavend. We zien Bell worstelen met het tekenen van haar comics, haar relatie met Tom en het vinden van een woonplaats en werk in New York. Omdat de details van haar leven zo herkenbaar zijn is het lezen van “Lucky” tezelfdertijd hilarisch en aandoenlijk. Ze probeert haar emoties namelijk nooit ‘op te poetsen’, doet zich niet anders of beter voor waardoor de verhalen heel menselijk blijven. Haar eerlijkheid in de registratie van (kleine) successen (de straatverkoop van een aantal van haar zelfgeprinte en aan elkaar geniete Lucky’s bijvoorbeeld), pijnlijke momenten (acute eenzaamheid tijdens het uit financiële noodzaak geboren naakt poseren), gênante voorvallen (in de yoga klas waar de pose ‘Downward Dog’ al snel uitloopt op een fiasco) maakt dat je het boek, zoals dat meestal gaat bij Peeping Tom verhalen, moeilijk kan wegleggen.Je ziet doorheen de drie Lucky’s de stijl van Bell veranderen en zekerder worden. Lucky #1 is soms wat stroef getekend, houterig en klunzig. Lucky #2 heeft dit minder omdat, zoals Bell in de getekende inleiding vertelt, ze dit nummer op de luchthaven verloor en helemaal uit het hoofd opnieuw tekende in een veel kortere periode dan waarin ze het origineel op papier zette. Door de comic voor de tweede keer te tekenen, zijn de lijnen strakker en de composities evenwichtiger dan in #1. Met Lucky #3 zijn de tekeningen sterker geworden, minder kriebelig maar zekerder van zichzelf (dikkere lijnen en meer zwartgebruik bijvoorbeeld), minder plat en eendimensionaal maar met meer diepte en cinematografische beeldgebruik. Terwijl Lucky #1 en #2 eerder doen denken aan de tekenstijl van Jeffrey Brown van bijvoorbeeld het recente “Every Girl Is The End Of The World For Me” (uitgegeven bij Top Shelf Productions), neigt Lucky #3 eerder naar Adrian Tomine’s “Optic Nerve” serie (Drawn & Quarterly). Dat wil niet zeggen dat Lucky #1 moet onderdoen voor #2 of #3, de verhalen blijven overeind staan ook in de wat houterige en naïeve stijl uit Bells vroege comics. In een ieder geval staan tekenstijl en stijlexperimenten bij Bell niet in de weg van de verhalen die ze wil vertellen, noch zijn zij de raison d’être van Bell’s werk, zoals dat bij Hornschemeier soms wel het geval is.
Gepubliceerd in 2007 in Gonzo Circus, 79, pp. 94-95.
No comments yet