Maaike Lauwaert

Best American Comics 2007

Posted in comics by maaikelauwaert on 2008

De tweede editie van “The Best American Comics”, deel van de Houghton Mifflin “Best American Series”, is samengesteld door Chris Ware. Het verschil met de verzameling uit 2006 is enorm. De ietwat belegen en suffe eerste editie van de serie had vermoedelijk alles te maken met de wens van de uitgeverij om de serie met een makkelijk verteerbaar debuut te lanceren. Ondanks het feit dat Ware begint met een plichtsmatige ‘mijn selectie is geen blauwdruk’-introductie zullen veel comic liefhebbers het eens zijn met zijn keuze die expliciet en compromisloos is. Er zitten oudgedienden in de selectie zoals Art Spiegelman met het hilarische “Portrait of the Artist As a Young %@#*!”, de immer verontrustende duistere wereld van Charles Burns, de zoals altijd nogal hitsige Crumb en Gilbert Hernandez. De verzameling bevat ook werk van jongere maar eveneens gevestigde comic artists zoals Adrian Tomine, Kevin Huizenga, Seth, Gabrielle Bell, Jeffrey Brown en Ben Katchor.

17d4ef5f4ed476037cd3fd6b84ee1fc5

Maar het meest dankbaar ben ik Ware voor het publiceren van werk dat Europa anders niet zou bereiken. Zo zijn er de twee aangrijpende autobiografische comics van Alison Bechdel (“The Canary-Colored Caravan of Death”) en Miriam Katin (“Untitled”) over respectievelijk de dood (zelfmoord?) van Bechdel’s vader en Katin’s vlucht als kind uit Nazi Duitsland. Minder narratief zijn Anders Nilsen’s woordeloze “Dinner and a Walk” en C.F.’s ijlende en absurdistische “Blond Atchen and the Bumble Boys”. Als geweldige uitsmijter is er het ietwat nostalgische maar zeer onderhoudende “Won’t Be Licked! The Great ’37 Flood in Louisville” van Dan Zettwoch. Elke selectie is vanzelfsprekend en noodzakelijkerwijs subjectief en persoonsgebonden. Als lezer/kijker kan je alleen maar hopen dat zo’n selectie – zoals deze van Ware – je nieuwe dingen brengt en niet eenvoudigweg de status quo bevestigt.

Gepubliceerd in 2008 in Gonzo Circus, 85, pp. 96.

Tagged with: ,

Nieuwe Comics

Posted in comics by maaikelauwaert on 2007

De verzamel-boeken “Let Us Be Perfectly Clear” van Paul Hornschemeier en “Lucky” van Gabrielle Bell werden beiden in November uitgebracht. Voor de feestdagen worden er altijd veel dingen heruitgegeven, voor het eerst gebundeld, voor het eerst officieel uitgebracht enzovoort. Een prettig gevolg daarvan kan zijn dat bepaalde comics, die anders niet beschikbaar zouden zijn buiten Canada en de VS (omdat ze bijvoorbeeld tot nog toe alleen als gekopieerde boekjes – zines – bij de locale stripboekenwinkel te koop waren of enkel lang lang geleden in een obscuur magazine verschenen), op grotere schaal verkrijgbaar worden. Deze twee verzamelde werken zijn daar een goed voorbeeld van. Het meeste werk in beide bundels verscheen reeds eerder op diverse plaatsen en in uiteenlopende formaten maar was tot voorheen moeilijk tot niet verkrijgbaar in Europese boekhandels. (more…)

Seth & Adrian Tomine

Posted in comics by maaikelauwaert on 2006

Woensdag 9 november 2005, een regenachtige avond in New York. In Strand, een van de laatste onafhankelijke boekenwinkels in deze metropool, vindt op de tweede verdieping een gesprek plaats tussen de comic artists Seth en Adrian Tomine.

62844995_75c9e2c6f3

Wanneer ik de trap op loop, signeerexemplaren in de aanslag, zie ik tussen de boekenkasten twee vleesgeworden figuren uit mijn bescheiden comicverzameling rondlopen. Beide tekenaars zijn zo herkenbaar als de personages uit hun werk dat het bijna absurd en lachwekkend wordt. Seth draagt een hoed, regenjas, bril, net iets te korte broek en leren schoenen – net zoals de held uit ‘It’s a Good Life If You Don’t Weaken’: een grauw, bijna sukkelig mannetje. Tomine heeft zich een minder karikaturaal uiterlijk aangemeten maar is zeer herkenbaar als Ben, uit onder andere de laatste ‘Optic Nerve’, met het korte donkere haar en ronde gezicht. Later zal Seth ons vertellen dat hij die cartooneske kleren alleen voor dit soort gelegenheden aandoet, een overblijfsels stammend uit zijn jeugd waarin hij de behoefte had zich een andere identiteit aan te meten, iemand anders te zijn, iemand die mensen leuk zouden vinden. Nu, gelukkig getrouwd (in ‘Palooka Ville’ 16 staat een foto van het huwelijk) en zichtbaar tevreden met zichzelf heeft hij wel spijt dat hij ooit voor een andere naam – Seth – koos in de plaats van zijn geboortenaam Gregory Gallant. (more…)

Best American Comics 2006

Posted in comics by maaikelauwaert on 2006

Houghton Mifflin publiceert sinds 1915 jaarlijks de Best American Series met de beste Amerikaanse fictie en non-fictie van het afgelopen jaar. Aan de almaar groeiende reeks (sports writing, recipes, non-required reading, spiritual writing, etc) is nu ook The Best American Comics toegevoegd. Samengesteld en ingeleid door Harvey – American Splendor – Pekar. Het is een prachtig vormgegeven, 300 pagina’s tellend boek met werk van 30 verschillende comic kunstenaars. Onder hen uiteraard enkele usual suspect zoals Joe Sacco, Chris Ware en Robert Crumb. Maar ook veel werk van jong en nog onbekender talent zoals Anders Nilsen, Justin Hall, Jesse Reklaw en de onovertroffen Adventures of Paul Bunyan & his Ox, Babe van Lillie Carré. Deze best off werd in de pers binnengehaald en bejubeld als de langverwachte en welverdiende erkenning van comics. Deze ‘erkenning’ is jammer genoeg onvermijdelijk ook een vorm van institutionalisering van het genre. De kritische strips die het tot in deze verzameling hebben gehaald trappen tegen huisjes aan die al lang niet meer heilig zijn (lees George W. Bush) en hebben daardoor het kritisch potentieel van een leeggelopen ballon. Wat betreft de stijl beantwoorden alle comics (op de vermoeiende ‘Lord of The Rings meets Princess Mononoke’ strip van Rebecaa Dart na) aan de cinematografische (leuk een verhaal op met beelden) trend in hedendaagse comics. Maar misschien wel het meest onvergeeflijke is het constante gehamer van de editor van de serie – Anne Elizabeth Moore – dat ook wanneer je niet van comics houdt, je in deze selectie vast iets leuks zal tegenkomen. En daarmee verglijdt het boek van ‘een ode aan’ naar ‘het kleineren van’. Je doet comics geen eer aan door een best off selectie samen te stellen die voor ieder wat wils heeft. Je kiest het beste, het hardste, het treffendste en het scherpste. Of je kiest niet.

260372789_0e900aa37e

Gepubliceerd in 2006 in Gonzo Circus, 78, pp. 97.

Tagged with: ,

Carnet de Voyage en Bighead

Posted in comics by maaikelauwaert on 2005

De Amerikaanse uitgever van underground comics Top Shelf Productions bestaat sinds 1995. Brett Warnock begon met het publiceren van graphic novels en comics in de anthologie Top Shelf met als doel de carrière van beginnende comic kunstenaars te bevorderen. De anthologie groeide uit tot een bekroonde jaarlijkse gebeurtenis en de publicatie van andere boeken volgde. Chris Staros – schrijver van het jaarlijkse The Staros Report over innovatieve comics – werd Warnocks partner in 1997. Top Shelf Productions blijft, ondanks het groeiende succes van hun publicaties, gericht op de publicatie en promotie van alternatieve comics. En met succes moet gezegd worden. Top Shelf publiceerde meer dan honderd graphic novels en comic books van grote namen als Alan Moore en Eddie Campbell’s (van het bekroonde en verfilmde From Hell), James Kochalka, Jeffrey Brown, Alex Robinson (Box Office Poison), Scott Morse en vele vele anderen. De graphic novel Blankets van Craig Thompson (2003) maakte Top Shelf én Thompson in een klap wereldberoemd. (more…)

Een unieke synergie tussen beeld en verhaal

Posted in comics by maaikelauwaert on 2005
Halsreikend heb ik ernaar uit gekeken: de publicatie van het dertiende nummer van het Amerikaanse tijdschrift McSweeney’s Quarterly Concern. Het tijdschrift is opgericht en wordt doorgaans samengesteld door de Amerikaanse schrijver Dave Eggers (het best bekend van de romans A Heartbreaking Work of Staggering Genius en You Shall know our Velocity). Nummer dertien is echter guest edited by Chris Ware (1967), Amerikaanse comic legende. Al mijn hoogoplopende verwachtingen ten aanzien van deze comic anthologie werden meer dan ingelost.
mcsweeneys13
Er werd een pakje afgeleverd waarin een formidabel verzorgd en uniek uitgegeven boek zat. Nee, geen tijdschrift met slappe kaft en vergankelijke inhoud maar een prachtig hard cover boek dat uren lees- en kijkplezier oplevert.Het boek is gewikkeld in een poster (zoals we die ook kennen van Chris Ware’s Jimmy Corrigan, or, The Smartest Kid on Earth) waarop de kleine en precieze tekeningetjes van Ware staan. Wanneer men de poster openvouwt vallen er twee mini comics uit: King-Cat, Comics & Stories van John Porcellino en een Girls Against Pain Comic van Ronald J. Regé. Twee boekjes die, zoals de inleiding van het tijdschrift toelicht, zich beter thuis voelen in mini formaat dan in een gebonden stripanthologie. Aan de achterzijde van de poster staan de biografische en bibliografische gegevens van alle comic kunstenaars die meewerkten aan de anthologie. Zoals we gewend zijn van het werk van Dave Eggers (zijn boeken, de website van McSweeney’s, zijn journalistieke werk en McSweeney’s Quarterly Concern zelf natuurlijk), is dit alles gedrenkt in ironie en een (fijne) vorm van zelfspot die de Amerikaanse comic als genre in zijn geheel niet vreemd is.

Op zoek naar intimiteit en realiteit
in deze anthologie kan men grofweg in twee categorieën opdelen. Enerzijds is er werk van grote namen uit de tijd van de Amerikaanse underground comic (1968-1975) en anderzijds is er werk van bekende en minder bekende hedendaagse comic kunstenaars. Op het eerste gezicht lijkt het moeilijk de beide van elkaar te onderscheiden maar bij nadere inspectie kan men toch significante verschillen vaststellen. Laten we beginnen bij de underground comics. De ontstaansgeschiedenis, de aard en het karakter ervan is niet los te zien van de Comics Code, een extreme vorm van zelfcensuur die in 1954 door de comic book industry in het leven werd geroepen. De conservatieve Comics Code werd geïnstalleerd na de publicatie van Dr. Frederic Werthams boek Seduction of the Innocent. The influence of comic books on today’s youth in 1954 waarin Wertham betoogde dat de problemen van de opstandige jeugd alles te maken hadden met de gewelddadige en expliciete strips van die tijd. Wertham richtte zijn tirade met name tegen de horrorstrips uit de jaren vijftig waarin culturele taboes zoals kannibalisme, necrofilie en incest grafisch zeer expliciet werden uitgebeeld. Door die extreme zelfcensuur, die elke mogelijke aanzet tot geweld en zedenverloedering ten strengste verbood, hoopte de comic book industry te kunnen overleven. Comics overleefden maar de censuur deed het genre uiteraard geen goed.De preutse en conservatieve Code had echter ook een positieve bijwerking, comics werden namelijk het uitverkoren medium van de rebelerende jeugd uit de jaren zestig: de underground comic was geboren. Om zich te onderscheiden van de brave, door de Code goedgekeurde comics, labelde deze kunstenaars hun werk comix (de x verwees naar x-rated). De provocatieve underground comics werden zelfstandig, aanvankelijk enkel in zwart/wit uitgegeven. Onderwerpen waren sociaal politiek geïnspireerd en handelden doorgaans over seks, drugs en het protest tegen de oorlog in Vietnam. De underground comics waren de spreekbuis van de tegencultuur van de jaren zestig,  een platform voor sociaal en politiek protest en voor het opzoeken en overschrijden van grenzen ten aanzien van seks en drugs.Ondanks het feit dat er in Wares anthologie niet zo veel werk van underground comic kunstenaars is opgenomen, is deze verzameling in zijn geheel ondenkbaar zonder dat genre. Deze beweging is namelijk van onschatbare invloed geweest op het genre an sich omdat het de realiteit  introduceerde in comics. In tegenstelling tot de mainstream, de door de Code tot een eenheidsworst gedegenereerde stripwerkjes, ging het in de underground comics niet over superhelden die het kwaad overwonnen en de mensheid van de ondergang redden. De gespierde, knappe, zelfverzekerde, alom geliefde superheld werd immers vervangen door een onzekere, te magere of juist te dikke, geile, werkloze, zweterige, en vaak antipathieke antiheld. De verhalen van heldhaftige overwinningen op het kwaad maakten plaats voor de realiteit van de kunstenaar zelf, een realiteit van sociaal en politiek protest, van emancipatie van zwarten, vrouwen en homoseksuelen, van drugs en de pil.De realiteit van de stripkunstenaar is uiteraard veranderd en comics zijn tegenwoordig niet langer de spreekbuis van de sociaal-politiek geëngageerde, experimenterende generatie van de jaren zestig. Aangezien de Comics Code niet veel meer voorstelt – de in de jaren zeventig hernieuwde Code wordt tegenwoordig nog slechts door een enkeling nageleefd – en de samenleving liberaler is geworden, moeten stripauteurs vandaag niet meer vechten en zich afzetten tegen het conservatieve, censurerende establishment. Daardoor zijn ze noodzakelijkerwijs minder provocatief. Als ze moeilijke – zij het politieke of persoonlijke – thema’s aansnijden doen ze dat subtieler, via de weg van de empathie eerder dan de weg van de provocatie. Hedendaagse comics zijn persoonlijker en menselijker in hun realisme. De verhalen van jeugdtrauma’s, moeilijke gezinssituaties en een ploeterend bestaan als comic kunstenaar zijn niet absurd of provocerend maar diep psychologisch, autobiografisch en tragisch.Hedendaagse comics staan in hun naakte, vaak troosteloze, onverbloemde realiteit dichter bij de lezer. Door de manier van tekenen en vertellen wordt er een intimiteit tussen de lezer en het gelezene gecreëerd. Die intimiteit  werd in de vaak absurde en bijna altijd provocatieve underground comics niet bereikt of juist bewust vermeden, empathie kan tenslotte in de weg staan van politieke effecten. Bevreemding, afstand, spot en overdrijven waren strategieën om bepaalde taboes bespreekbaar te maken. Op een spottende, pijnlijke en welhaast pornografische manier doet de notoire Robert Crumb dat in zijn comic Joe Blow waarin the all-American dad zijn naïeve, masturberende dochter betrapt en – na zich even te hebben bedacht – een erectiepil neemt en zich door haar laat pijpen (‘That’s it! Pretend it’s candy!’) en haar vervolgens van achter neemt. Identificatie, empathie, intimiteit tussen lezer en gelezene zijn hier ver te zoeken. Dat was ook niet wat Crumb wilde bereiken met zijn werk, hij wilde het onbespreekbare aan de kaak stellen, het schijnheilige Amerikaanse kerngezin ontmaskeren als datgene wat het was: pervers, onderdrukkend, vrouwonvriendelijk.
Woodring versus Brown
Het verschil tussen de underground en de hedendaagse comic kan men ook illustreren door twee werkjes uit de anthologie met elkaar te vergelijken: Frank et al. van de underground kunstenaar Jim Woodring en Sulk Excerpts van de hedendaagse comic kunstenaar Jeffrey Brown (tekenaar van de ontroerende en aandoenlijke Unlikely en Clumsy).In een van de drie mini comics van Woodring die in de verzameling zijn opgenomen zien we de katachtige Frank met zijn trouwe maatje, een soort huisje op pootjes. Ze komen een sterachtig figuurtje tegen dat er op het eerste gezicht heel lief uitziet maar dat Frank in de rug steekt met een lange, puntige tong. Het huisje wordt boos, ontpopt zich tot een groot monsterachtig huis die de aanvaller opeet. Frank komt er met de schrik van af. De andere twee mini comics van Woodring zijn al even absurd, zowel op het vlak van het verhaal dat ze vertellen als de manier waarop ze dat verhaal vertellen. De personages zijn antropomorfe wezens die in een soort niemandsland van psychedelische kleuren verdwaald lijken, het is een lange boze droom of een slechte trip. Zowel het verhaal dat Woodring vertelt als de manier waarop hij dit vertelt werken bevreemdend.Browns zwart/wit comics daarentegen zijn qua stijl minder gelikt en gepolijst. Hij tekent met een fijne pen dunne lijntjes en stipjes. Zijn stijl heeft iets kinderlijks, rommeligs, schetsmatigs en kriebeligs. Ondanks deze slordige stijl is alles toch heel gedetailleerd en herkenbaar: de plooien in de kleren, de gelaatsuitdrukkingen, de stoppelbaard van Jeffrey. De kleine, vierkante, dicht op elkaar geplaatste raampjes waarbinnen de verhalen zich afspelen zijn altijd helemaal gevuld, alsof ze te klein zijn voor de tekeningen en het verhaal, alsof de lezer via een kijkgaatje binnengluurt in Browns wereld. Door de manier waarop Brown tekent en zijn tekeningen kadert zit de lezer heel dicht op de huid van het vertelde. Uit eerder werk van Brown weten we dat hij problemen heeft met relaties en ook in Sulk Excerpts wordt de lezer een voyeuristische blik gegund op Browns innerlijke roerselen met betrekking tot relaties en vrouwen. Browns tekenstijl, het gebruik van de kaders en de directheid en openheid waarmee hij zichzelf afbeeldt en zijn gevoelens beschrijft, zorgen er voor dat er een grote intimiteit tussen de lezer en het vertelde ontstaat.Naast werk van Brown bevat de anthologie ook werk van andere hedendaagse comic kunstenaars zoals bijvoorbeeld Daniel G. Clowes (bekend van het tijdschrift Eightball en het verfilmde Ghost World), Gilbert Hernandez (van de recent gebundelde en ongeëvenaarde The Heartbreak Soup Stories), Chester Brown (een passage uit het recent verschenen Louis Riel: A Comic Biography), Joe Matt (van de befaamde serie Peepshow waar geen enkel detail over het leven van de tekenaar aan de lezer bespaard blijft), Adrian Tomine (van de prachtige Optic Nerve serie) en natuurlijk Chris Ware zelf. Al deze hedendaagse comic kunstenaars hebben uiteraard hun eigen stijl van tekenen en vertellen, hun eigen beeldtaal waarmee zij een bepaalde intimiteit tussen lezer en werk betrachten.
De synergie van Chris Ware
Chris Ware neemt hierin naar mijn mening een unieke positie in. In het vier pagina’s tellende We’ll Sleep in My Old Room vertelt hij in zijn onvergelijkbare stijl een droevig en breekbaar verhaal over een meisje met een prothese dat teruggaat naar haar ouderlijk huis en overvallen wordt door de herinneringen waarmee haar oude meisjeskamer onlosmakelijk verbonden is. Zoals die kerst toen haar toenmalige vriendje mee naar huis kwam en ze voor het eerst echt gelukkig was, de daaropvolgende kerst toen hij haar verlaten had, de dag toen ze als klein meisje thuis kwam van het ziekenhuis, zonder haar linkerbeen.Wares stijl is uniek omdat hij een op het eerste gezicht onmogelijke synergie heeft weten te bereiken. Het is een synergie tussen zijn precieze, ordelijke, gedetailleerde, kleine tekeningetjes – die een afstandelijkheid tussen lezer en comic suggereren – en de persoonlijke, aangrijpende verhalen die hij vertelt door middel van die tekeningen. De woorden en de tekeningen, het verhaal dat verteld wordt en de manier waarop dat verteld wordt lijken elkaar op het eerste gezicht uit te sluiten. Het lijkt haast onmogelijk dat de persoonlijke en ontroerende verhalen, vol innerlijke roerselen en existentiële twijfels zo goed verteld kunnen worden in de precieze en strakke stijl van Ware. Maar toch werkt het. De precisie waarmee hij te werk gaat en de zorgvuldigheid waarmee hij bepaalde details op de voorgrond plaatst, werken niet vervreemdend. In tegenstelling, ze vergroten de empathie van de lezer.De reden voor deze unieke, op het eerste gezicht onmogelijke synergie tussen beeld en verhaal heeft te maken met het feit dat de verhalen die Ware vertelt weerspiegeld worden in zijn tekenstijl. Die stijl reflecteert namelijk de queeste van Wares personages naar mentale stabiliteit, rust en orde in hun leven, vrede met het verleden en geleden trauma’s. Deze orde en stabiliteit is echter breekbaar, de rust kan elk moment verstoord worden door kleine gebeurtenissen of opdringerige herinneringen. In We’ll Sleep in My Old Room wordt deze rust en stabiliteit verstoord wanneer de moeder aan het meisje vertelt dat haar ex-vriend een paar maanden eerder getelefoneerd heeft om te vragen hoe het met haar gaat. Alle pijnlijke herinneringen aan die relatie, aan het verloren geluk van het verliefd zijn, dringen zich aan haar op. Ze probeert hem te vinden via Google, hoopt dat hij zal terugbellen, maakt zich kwaad, voelt zich verloren. Het broze evenwicht in haar leven is door dat ene telefoontje helemaal verstoord. Wares tekenstijl reflecteert dat verlangen naar orde en stabiliteit en tevens de breekbaarheid daarvan.McSweeney’s nummer 13 is een must voor iedereen die van comics houdt, niet alleen omdat het heel veel werk van geweldige kunstenaars van verschillende generaties bevat maar ook omdat er goede artikelen instaan (bijvoorbeeld van Rodolphe Töpffer over de uitvinder van de strip en Tim Samuelson over George Herriman) en mooie verhalen (van John Updike en Glen David Gold). Maar dat is weer een ander verhaal.
Bibliografie
Chester Brown, Louis Riel: A Comic Biography, Montreal: Drawn and Quarterly Publications, 2003.
Jeffrey Brown, Clumsy, Grenada USA: Top Shelf Productions, 2002.
Jeffrey Brown, Unlikely, Grenada USA: Top Shelf Productions, 2003.
Jeffrey Brown, ‘Sulk Excerpts’, in: McSweeney’s Quarterly Concern, jg. 4, nr. 13, 2004, pp. 192-199.
Charles Burns, ‘Black Holes’, in: McSweeney’s Quarterly Concern, jg. 4, nr. 13, 2004, pp. 106-117.
Daniel G. Clowes, Eightball, Seattle: Fantagraphics Books, 1989 tot heden.
Daniel G. Clowes, Ghost World, Seattle: Fantagraphics Books, 2001.
Daniel Clowes en Terry Zwigoff, Ghost World, United Artists Films, 2000.
Robert Crumb, ‘Joe Blow’, in: Zap Comix, jg. 3, nr. 4, 1969.
Dave Eggers, A Heartbreaking Work of Staggering Genius, New York: Vintage Books, 2001.
Dave Eggers, You Shall Know Our Velocity, London: Hamish Hamilton, 2003.
Gilbert Hernandez, Palomar. The Heartbreak Soup Stories, Seattle: Fantagraphics Books, 2003.
Website stripwinkel Lambiek http://www.lambiek.net/
Erik Lesire, Mr. F. C. Ware, Leuven: Beeld Beeld, 1998.
Joe Matt, Peepshow, Montreal: Drawn and Quarterly Publications, 1992-2002.
Website McSweeney’s http://www.mcsweeneys.net/
John Porcellino, ‘King-Cat, Comics & Stories’, in: McSweeney’s Quarterly Concern, jg. 4, nr. 13, 2004.
Ronald J. Regé, ‘A Girls Against Pain Comic’, in: McSweeney’s Quarterly Concern, jg. 4, nr. 13, 2004.
Roger Sabin, Comics, Comix & Graphic Novels. A History of Comic Art, New York: Phaidon Press, 1996.
Joe Sacco, Palestine, Seattle: Fantagraphics Books, 2000.
Joe Sacco, Safe Area Gorazde, Seattle: Fantagraphics Books, 2002.
Adrian Tomine, Optic Nerve, Montreal: Drawn and Quarterly Publications, 1994 tot heden.
Chris Ware, Jimmy Corrigan, or, The Smartest Kid on Earth, Seattle: Fantagraphics Books, 2000.
Chris Ware, ‘Introduction’, in: McSweeney’s Quarterly Concern, jg. 4, nr. 13, 2004, pp. 8-12.
Chris Ware, ‘We’ll Sleep in My Old Room’, in: McSweeney’s Quarterly Concern, jg. 4, nr. 13, 2004, pp. 72-75.
Chris Ware (Ed.), McSweeney’s Quarterly Concern, jg. 4, nr. 13, 2004.
Frederic Wertham, Seduction of the Innocent. The influence of comic books on today’s youth, New York: Rinehart, 1954.
Joseph Witek, Comic Books as History, Jackson, Mississippi: University Press of Mississippi, 1989.
Jim Woodring, ‘Frank et al.’, in: McSweeney’s Quarterly Concern, jg. 4, nr. 13, 2004, pp. 56-57.
Noten:
De volledige Comics Code is te lezen op de zeer informatieve website van stripwinkel Lambiek in Amsterdam. De Comics Code is te vinden op: http://www.lambiek.net/comics/code.htm.
Desalniettemin stelt Ware in een interview dat er in Amerika nog steeds een smet hangt over strips maken, kopen en lezen. In tegenstelling tot Europa, kent Amerika geen stripcultuur, stelt Ware. Comics worden nog steeds geassocieerd met kinderen en comic kunstenaars moeten zich vaak verdedigen over hun beroepskeuze. In de inleiding tot de anthologie schrijft hij: ‘In the past decade or so, comics appear to have gained some greater measure of respect and acceptance than ever before’, maar ‘people still arrive at expecting a specific emotional reaction (laughter) or a specific content (superheroes)’ (Ware, 2004, p.10-11). In deze anthologie gaan de emotionele reacties van de lezer verder dan lachen alleen, sterker nog, ik heb niet vaak gelachen toen ik de strips las (tenzij met de schaamteloze zelfspot van sommige kunstenaars). En superhelden in de traditionele zin van het woord zijn ook ver te zoeken.
Het is namelijk niet zo dat omdat de hedendaagse comic niet langer de spreekbuis, het platform is voor politiek en sociaal protest, dat er geen politiek geëngageerde hedendaagse comics meer gemaakt worden. Zo is er in de anthologie werk opgenomen van Joe Sacco die realistische, autobiografische, journalistieke strips maakt over oorlogsgebieden zoals Palestina en Joegoslavië. Ook de reeds eerder genoemde mini-comic van Regé, over een zelfmoordaanslagster die zich bedenkt, is duidelijk politiek geïnspireerd en geëngageerd.
Uiteraard heb ik hier een vrij extreme voorbeeld gekozen om mijn zaak sterk te maken. In deze anthologie zijn ook andere underground comics opgenomen die de bevreemding tussen lezer en comic op een meer subtiele manier bereiken. Zo is er bijvoorbeeld het excerpt van Charles Burns’ Black Holes waarin een beklemmend, duister, horrorachtig universum wordt creëert in scherpe en exacte zwart wit tekeningen. De manier waarop Burns het unheimliche en het absurde in het gewone weet te integreren maakt zijn verhalen op een Lyncheaanse manier beklemmend. Een gelukkig, jong, verliefd koppel beleeft een romantische, perfecte dag aan het strand. Wanneer ze ’s nachts in de duinen liggen te slapen wordt het meisje echter wakker door een vreemd geluid. Een kinderstem die jammert. De stem komt uit een tweede mond in de jongen zijn hals, onder zijn adamsappel. Het kind jammert dat het niet levend weg zal kunnen komen. De comic eindigt met dit akelige beeld en het meisje dat probeert de jongen wakker te krijgen. In deze comic suggereert de tekenstijl een zekere normaliteit die vervolgens in het verhaal dat verteld wordt verbroken wordt. Het vervreemdende effect is daardoor groter dan bij Woodrings comics omdat men verrast wordt, op het verkeerde been wordt gezet.
Gepubliceerd in 2005 in rekto:verso, 3, 2, pp. 27-32.